|
De strafrechtelijke aanpak van plegers van seksuele delicten Typologie, Seksuologie, Criminologie en Penologie van zedenmisdrijven en (minderjarige) zedendelinquenten serie: Methodische vaardigheden voor professionalsmr.dr.drs. Michael Boelrijk Amstelveen: ActUmail 2006 ISBN 978907847002x Deze uitgaven zijn online te bestellen |
||||||||||||||||||||||||||||
Neem nu een jaar abonnement op deze publicatie. Uw abonnement biedt u toegang tot de publicatie; de mogelijkheid tot downloaden en het online raadplegen van update informatie. Ook vindt U er uitleg over verouderde of minder gangbare termen als voyeurisme, frottage, frotteren, schennis, schennispleger.Inhoudsopgave2. Seksuologie 3. Criminologie 4. Zedelijkheidswetgeving 5. Jeugdstrafrecht 6. Empirisch onderzoek 7. Dwangbehandeling van dranghandeling 8. Bijlagen 8.1 Interviewprotocol 8.2 Vertaling tests 8.3 Verjarings- en executie termijnen 8.4 Landelijke statistieken zedendelinquenten 8.5 tekst & uitleg zedenmisdrijven Samenvatting Literatuur |
Voorwoord van prof. dr. Jos Frenken 1997
Recent is aangetoond dat veel seksuele delinquenten al in hun puberteitsleeftijd
zijn begonnen met seksueel grensoverschrijdend gedrag jegens vrouwen en
kinderen. Daar is nooit aandacht aan besteed door de sociale omgeving van die
jongeren. Seksueel gewelddadig gedrag door jongeren wordt in de samenleving nog
veelal afgedaan als behorend bij een onschuldige experimenteerfase die wel
overgaat als de jeugdige ouder wordt. Veel inzicht in deze specifieke groep
plegers is er nog niet: wat is de aard en omvang van de delicten? Wat voor
jongeren zijn de plegers? Hoe doet justitie deze zaken af? In welke mate wordt
binnen het jeugdstrafrecht gebruik gemaakt van behandelvormen gericht op
recidivepreventie? Prof. dr. J. Frenken, seksuoloog, voorzitter van de Vereniging voor Forenische Seksuologie |
|||||||||||||||||||||||||||
|
De publicatieserie Methodische vaardigheden voor professionals is de
kwaliteitsgarantie voor professionele beroepsbeoefenaars: (juridische)
dienstverleners, P&O-ers, HR-managers, vertrouwenspersonen en hulpverleners.
Deze serie is met name ook geschreven voor advocaten, mediationfunctionaris,
medewerkers juridisch loket en rechters. De reeks methodische vaardigheden voor
professionals biedt student en beroepsbeoefenaars inzicht in door de
beschrijving van achtergronden en zeker ook betekenis en concrete toepassing van
methodische vaardigheden.
Ieder deel uit de reeks presenteert een of meer methoden,
werkwijzen dan wel een methodiek dat wil zeggen samenhangend geheel van
inzichten inzake het professioneel handelen. Elke uitgave in deze reeks bevat
een geheel aan handreiking, vragenlijsten en stroomdiagrammen voor het
uitvoerend werk.
ActUmail
publicatieseries vindt u hier
Vragen, problemen of feedback ? Hier is de
responslink.
Gebruik gerust onze vindfunctie. Checklist Opvang na potentieel traumatische incidenten. Vragenlijst voor de opvang van medewerkers die te maken hebben gehad met agressie en geweld door externen Checklist Conflictoplossing. Vragenlijst voor de keuze van de meest kansrijke oplossingsmodaliteit Checklist ongewenst gedrag. Vragenlijsten voor het zorgvuldig omgaan met signalen over ongewenst gedrag 'Herstelbemiddeling tussen slachtoffer & pleger van intimidatie, Herstel en beperken materiële, financiële en emotionele schade.’ Tijdschrift voor de Politie 64 (2002). English abstract Bemiddeling als Alternatief, Handreiking voor hulp- en dienstverleners Houten: Bohn Stafleu van Loghum, 2001; 2e druk 2010. auteurs: Michael Boelrijk & Bert la Poutré ISBN 978903133636x `Arbo-klachtrecht als Human Resources Management instrument', Personeelsbeleid 36 (2000) 'Nieuw klachtrecht in het kader van arbeid' Tijdschrift ArbeidsRecht 7 (2000) `Is het oordeel van de Centrale Raad van Beroep over intimidatie begrijpelijk ?', Nederlands Juristen Blad 75 (2000), `Sociale vaardigheidstraining voor (minderjarige) plegers ?’ in: A. Collot d'Escury-Koenings, A. v/d Linden & T. Snaterse (red.) Van Preventie tot straf, Naar meer sociale vaardigheden bij jongeren (1999) geactualiseerde versie 2005. `Geen verplichte HIV-test . Kanttekeningen bij het rapport van de commissie-Meijers.' Tijdschrift voor de Politie 60 (1998) `Taak en organisatie van de zedenpolitie', Tijdschrift voor de Politie 59 (1997) 'Gezocht: pedo-gerichte jeugdhulpverleners, commentaar op de VOG-richtlijn.' Tijdschrift voor Jeugdhulpverlening en Jeugdbescherming 8 (1996) `Kinderen als getuigen', Proces (1995) Boekbespreking: `Binnen de steen van dit bestaan. Over rechtsbescherming en totale instituties.' Recht en Kritiek 21 (1995) `Het mes snijdt aan twee kanten. Wapens weren van scholen', Tijdschrift voor de Politie 57 (1995) `Het recht van de Kwartaalkursus', Tijdschrift voor Familie en Jeugdrecht 15 (1993) |
||||||||||||||||||||||||||||
|
Overzicht van de voorstellen tot wetswijzigingen van de zedenmisdrijven bron: Minister van Justitie Nationaal Actieplan Seksueel Misbruik van Kinderen
(NAPS) 21 maart 2000.
|
||||||||||||||||||||||||||||
Wet tijdelijk huisverbod Op 1 januari 2009 treedt deze wet in werking die de burgemeester de bevoegdheid geeft om een huisverbod op te leggen. Het verbod houdt in dat de pleger voor een bepaalde periode zijn woning niet mag betreden en ook geen contact mag opnemen met zijn huisgenoten zoals echtgeno(o)t(e), partner, kinderen en dergelijke. Deze bestuursrechtelijke maatregel kan de burgemeester voor in beginsel 10 dagen opleggen. Verlenging met nog eens maximaal 18 dagen is mogelijk. De uithuisgeplaatste heeft recht op rechtsbijstand om beroep en/of een verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen bij de rechtbank. Zie de website: www.huisverbod.nl
Zedendelicten en politieregisters
Brief van de minister van Justitie van 14 december 2000 naar aanleiding van
de constatering dat bepaalde tips en meldingen met betrekking tot misdrijven
tegen de zeden niet langer dan vier maanden kunnen worden opgeslagen. Het gaat
om opmerkingen van burgers die niet een verdenking creëren zodat ze zouden
kunnen worden opgeslagen in het register zware criminaliteit en het voorlopige
register.
Op grond van artikel 1 lid 1 onderdeel k sub 2o Wet politieregisters kunnen
nu reeds persoonsgegevens opgeslagen worden in de bijzondere politieregisters
over verdachten van misdrijven waar een strafmaxima van 4 jaren of meer op
staat. Het betreft hier de misdrijven genoemd in de artikelen
242 tot en met 246 en 247 in samenhang met 248 Sr.
Verder geldt dat bij algemene maatregel van bestuur (in de bijlage bij
artikel 2a van het Besluit politieregisters) ook zijn aangewezen artikel
240b Sr kinderporno en artikel 250ter thans 250a
Sr mensenhandel.
De minister heeft nu het voornemen op korte termijn een voorstel tot
wijziging van het Besluit politieregisters te maken om de opslag van gegevens in
de bijzondere politieregisters omtrent de misdrijven als bedoeld in de artikelen 247, 248a, 248b, 249 en 250 Sr mogelijk te maken. Zie Kamerstukken II,
'00-'01, 26690 nr. 8.
Vanaf april 2004 zullen aanvragen omtrent
het gedrag door de gemeente doorgeleid worden naar het Centraal orgaan
verklaringen omtrent het gedrag. Dit nieuwe loket kan naast de justitiegegevens
ook politiegegevens raadplegen. Daarnaast zal de bewaartermijn van registratie
van veroordelingen door Justitie zijn verlengd. Tot slot is het wenselijk dat
instellingen eisen dat na verhuizing uit het adres waarop de verklaring is
afgegeven een nieuwe verklaring aangevraagd wordt door de aspirant medewerker.
Vanaf april 2004 zullen aanvragen omtrent het gedrag door de gemeente doorgeleid worden naar het Centraal orgaan verklaringen omtrent het gedrag. Dit nieuwe loket kan naast de justitiegegevens ook politiegegevens raadplegen. Daarnaast zal de bewaartermijn van registratie van veroordelingen door Justitie zijn verlengd. Tot slot is het wenselijk dat instellingen eisen dat na verhuizing uit het adres waarop de verklaring is afgegeven een nieuwe verklaring aangevraagd wordt door de aspirant medewerker.
Slachtoffers van zedendelicten geïnformeerd: Volgens berichten van het Openbaar Ministerie zullen 256 slachtoffers per 22 juni 2001 aangeschreven worden over de (voorwaardelijke) proefverlof en/of vrijlating van de dader. Dit project met community notification heeft betrekking op (pedo)seksuele daders die veroordeeld zijn tot een gevangenisstraf van twee of meer jaren en die gedetineerd zijn in een gewone gevangenis. Tbs-gestelden en minderjarige zedendelinquenten blijven voorlopig buiten dit experiment. Naast de slachtoffers wordt ook de politie in de regio waar de dader zich vestigt geïnformeerd. De burgemeester zal slecht in sommige gevallen ook op de hoogte worden gesteld over de terugkeer.
Wet strafbaarstelling van belaging Op 12 juli 2000 is de strafbaarstelling van belaging in werking getreden. (Wet van 27 juni 2000, Staatsblad 2000, 282). De minister van Justitie had op 4 april 2000 zijn Memorie van Antwoord over dit wetsvoorstel aan de Eerste Kamer gestuurd (Kamerstukken I, 1999/'00, 25768, nr. 67a). Hiermee heeft het wetsvoorstel van Dittrich uit 1998 kracht van wet gekregen. Op 5 mei 1998 hebben de kamerleden Dittrich (D66) Swildens-Rozendaal (PvdA) en O.P.G. Vos (VVD) een voorstel van wet inzake belaging ingediend bij de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 1997/98, 25768). De belangrijkste wijziging betreft het invoeren van een bepaling artikel 301a Sr in titel XX Mishandeling. De voorgestelde tekst luidt: "1. Hij, die wederrechtelijk stelselmatig inbreuk maakt op eens anders persoonlijke levenssfeer met het oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen wordt, als schuldig aan belaging, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie (25.000,00). 2. Vervolging vindt niet plaats dan op klacht van hem tegen wie het misdrijf is begaan." In artikel 67 lid 1, sub b Wetboek van Strafvordering wordt de bepaling 301a Wetboek van Strafrecht genoemd waardoor het de politie is toegestaan om een verdachte van belaging in voorlopige hechtenis te nemen.
Aanpak zedenzaken De ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken hebben op 9 mei 2000 het slotdocument van het Implementatieproject zedenzorg d.d. 25 april 2000 aan de Tweede Kamer aangeboden, (Kamerstukken II 1999/'00, 26800 VI, nr.71). Tevens hebben minister A.H. Korthals en G. de Vries op 11 mei 2000 een rapport over de politiële zedenzorg aan de Tweede Kamer gestuurd.
Klachtencommissie interlandelijke adoptie Op 1 april 2000 is de klachtencommissie vergunninghouders interlandelijke adoptie met haar werkzaamheden begonnen. De taak, samenstelling en de werkzaamheden van deze onafhankelijke commissie zijn geregeld in een algemene maatregel van bestuur (Staatsblad 2000, 120). Deze regeling is gebaseerd op artikel 24a van de Wet Opneming buitenlandse kinderen ter adoptie. Dit nieuwe wetsartikel treedt op dezelfde datum in werking. De commissie adviseert naar aanleiding van klachten van particulieren over gedragingen van instellingen aan wie vergunning is verleend om te bemiddelen bij interlandelijke adoptie. Uiteindelijk neemt de vergunninghouder zelf een beslissing over de afhandeling van de klacht. De nieuwe klachtencommissie functioneert in de plaats van alle interne klachtencommissies die door deze wijziging zijn opgeheven.
Second opinion over opsporingsonderzoek voor slachtoffers misdrijven Vanaf 1 maart 2000 kunnen slachtoffers van misdrijven aan het Openbaar Ministerie (OM) verzoeken om de kwaliteit van een opsporingsonderzoek te laten onderzoeken. Volgens een nieuwe Aanwijzing van het OM ("Tweede beoordeling opsporingsonderzoeken", Staatscourant 2000, 43) kunnen slachtoffers van misdrijven waarop ten minste twaalf jaren gevangenisstraf staat een verzoek tot een tweede beoordeling van het opsporingsonderzoek richten aan de hoofdofficier van justitie. De hoofdofficier legt zijn beslissing voor aan het college van procureurs-generaal. Het onderzoek wordt uitgevoerd door een ervaren officier van justitie en één of meer deskundigen op het terrein van de recherche uit politiekring die niets met het onderzoek te maken hebben gehad. Bij de beoordeling of het om een ernstige zaak gaat staat niet de grens van twaalf jaren gevangenisstraf voorop maar de kwalificatie moord, doodslag of verkrachting zoals men die in de maatschappij maakt. Een slachtoffer kan ook om een second opinion vragen indien het formeel gaat om "aanranding" maar de daad een grote inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijk integriteit. Zie over positie van slachtoffers in het strafproces ook Notitie van minister van Justitie 26 juni 2000 (Tweede Kamer 1999/'00, 27213 nr. 1).
Verjaringstermijn moord verlengen? De Minister van Justitie overweegt om de verjaringstermijn voor levensdelicten te verlengen. De minister vindt in de nieuwe technologische ontwikkelingen in het forensisch onderzoek aanleiding tot een verlenging van de verjaringstermijn voor deze ernstige misdrijven. In enkele andere landen zijn soortgelijke wijzigingen ingevoerd. Het Verenigd Koninkrijk kent voor de delicten murder en manslaughter geen vervolgingsverjaring. Ook in Denemarken bestaat voor paragraaf 93 van het Deense Wetboek van Strafrecht, "Moord en doodslacht" geen verjaring. In Duitsland verjaart het recht tot strafvervolging wegens doodslag na 20 jaar, moord verjaar niet. (Kamerstukken II 1999/'00, Aanhangsel van de handelingen nr. 1579).
Mogelijk verdubbeling van straf voor discriminatie Minister Korthals van Justitie heeft 8 maart 2000 zijn voorstel voor een hardere aanpak van het stelselmatig opzettelijk beledigen van mensen wegens ras, godsdienst, levensovertuiging of seksuele geaardheid naar diverse belangorganisaties gestuurd voor advies. Het voorstel van de minister is om de strafmaat voor discriminatie, artikel 137d Wetboek van Strafrecht, te verdubbelen van één naar twee jaren gevangenisstraf. Voor het stelselmatig verspreiden van discriminerend materiaal, artikel 137e Wetboek van Strafrecht, bedraagt de voorgestelde verhoging van 6 maanden naar een jaar. Dit voorstel is met name ingegeven door de verontrustende structurele toename van discriminatie via internet. Het gaat in dit voorstel om de aanpak van structurele discriminatie waaronder de Minister verstaat de herhaling van discriminatoire uitingen door steeds dezelfde personen of groepen, door een bewuste samenwerking tussen die personen of door het georganiseerde of zelfs beroepsmatige karakter ervan.
Informatie terugkeer afgestrafte pedoseksuelen Minister Korthals van Justitie wil dat het Openbaar Ministerie aan politie en burgemeesters informatie verstrekt over de terugkeer van een afgestrafte pedoseksueel in de samenleving. Het OM kan desgewenst ook het slachtoffer informeren over het vrijkomen van zware pedoseksuele zedendelinquenten aan het einde van hun straf. De minister overweegt in de toekomst ook informatie te laten verstrekken over proefverloven van pedoseksuelen. De minister overweegt later ook dergelijke informatie met betrekking tot delinquenten van andere delicten zoals ernstige gewelddelicten te laten geven. Deze voornemens staan in een brief van 4 januari 2000 van de minister aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 1999/00, 26800 VI, nr.52).
Schadebemiddeling in het strafproces Antwoorden van de minister van Justitie van 28 juli 1999. De minister geeft een toelichting op zijn brief van 8 april 1999 met betrekking tot de implementatie van schadebemiddeling in het strafproces. De implementatie van deze alternatieve schaderegeling dient plaats te vinden binnen het kader van het "Plan van aanpak nadere implementatie slachtofferzorg" (Kamerstukken II, 1998/99, nr.7).
Bestrijding seksueel misbruik Op 19 juli 1999 heeft minister Korthals van justitie de beleidsvoornemens van het Kabinet aan de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II, 1998/99, 26690). In de Nota Bestrijding seksueel misbruik van en seksueel geweld tegen kinderen staat het voornemen om weer aparte afdelingen zedenpolitie in elke regio in te stellen. Ook zegt de minister dat hij "zeden-aanspreek-officieren van justitie" wil benoemen. Korthals wil het klachtvereiste uit de seksuele delicten schrappen. Voor wat betreft het onderwijs refereert hij aan de Wet Voorkoming en bestrijding seksuele intimidatie die onlangs door de Eerste Kamer is aangenomen (zie eerder bericht Kamerstukken I, 1998/99, 25979). Volgens de nota dienen de TBS-klinieken zich te concentreren op"evidence based" behandelprogrammas, waarbij de effectiviteit van de interventie wetenschappelijk is getoetst. In aansluiting op deze nota heeft de minister van Justitie op 19 april 2000 een brief naar de kamer gestuurd waarbij hij aanbiedt het Nationaal actieplan aanpak seksueel misbruik van kinderen (NAPS). Het actieplan richt zich op het leggen van verbindingen tussen de verschillende actoren (preventie; vroegtijdige signaleren; hulpverlening en repressie) bij de bestrijding van misbruik. Het actieplan adviseert met name om het inschakelen van deskundigheid bij de opsporing en nieuwe zedenwetgeving; zie Kamerstukken II, 1999/00, 26690, nr.4. Op 15 mei 2000 voerde de vaste commissie voor justitie overleg met de minister.
Aansprakelijkheid van internetproviders In het op 7 juli 1999 ingediende Wetsvoorstel computercriminaliteit II is één van de onderwerpen de aansprakelijkheid van tussenpersonen (Kamerstukken II, 1998/99, 26672, nr. 1-3). O.a. de strafrechtelijke aansprakelijkheid als tussenpersonen betrokken zijn bij de verspreiding van strafbare informatie zoals kinderporno.
Reactie op boekbespreking
Hiermee wil ik enkele kanttekeningen plaatsen bij de boekbespreking van mijn
boek Minderjarige zedendelinquenten en het strafrecht door Mr. A.P.
van der Linden in FJR 1998, p208-209. Van der Linden maakt enkele kleine
fouten. Hij verwoordt de onderzoeksgegevens uit mijn statistieken onjuist.
De zin zou kloppen indien er stond: “Van de door Boelrijk onderzochte 182
minderjarige verdachten kreeg er een op de drie een politiesepot en een op
de vier (namelijk in 48 gevallen) een sepot van de officier van justitie.”
Voorts constateer ik inderdaad dat de rechter slechts aan twee verdachten
een behandelingsmaatregel oplegt. Dit betreft echter de oude
jeugdstrafrechtelijke maatregel Jeugd-tbr. Deze maatregel is
onvergelijkbaar met de tbs voor volwassenen aangezien voor de maatregel niet
was vereist dat het feit aan de verdachte verminderd kon worden toegerekend.
De jeugd-tbr eindigde bij het bereiken van de achttienjarige leeftijd. Naast
deze maatregel bestond ook de Plaatsing in een Inrichting voor
Buitengewone Behandeling (PIBB), en is veel meer vergelijkbaar met de
tbs. Hoewel dit een maatregel was die tot maximaal het eenentwintigste
levensjaar van de verdachte kon duren, heeft de rechter geen enkele keer
PIBB opgelegd. De nieuwe maatregel Plaatsing inrichting voor jeugdigen
(PIJ) die op 1 september 1995 in de plaats is gekomen van beide voorgenoemde
maatregelen kan maximaal zes jaren duren. De verdachten die ik onderzocht
heb, zijn vervolgd onder het oude jeugdstrafrecht.
Op één essentieel punt
is het erg storend dat Van der Linden mij onjuist aanhaalt. Mijn
onderverdeling van minderjarige verdachten van seksuele delicten heeft
inderdaad een groep die ik noem: minderjarige seksueel-geweldplegers.
Deze groep verdeel ik echter voorts onder in plegers van geweld, bedreiging
met geweld of een andere feitelijkheid enerzijds. Ik stel voor ook de
kwantiteit aan plegers -meer plegers die in groepsverband een slachtoffer
maken- als `andere feitelijkheid’ te merken. Daarnaast onderscheid ik
anderzijds een groep, die ik zedenvandalisten noem. Dit zijn jongeren
die zich schuldig maken aan schennispleging of aan een speelse oppervlakkige
aanraking (dat wil zeggen indien er een minimale inbreuk op de lichamelijke
integriteit van het slachtoffer is gemaakt), terwijl er geen indicaties zijn
voor een persoonlijkheidsstoornis bij de pleger. Ik betoog dat uitsluitend
voor de groep zedenvandalisten de Leerstraf Seksualiteit een adequate
sanctie kan zijn. Voor de meerderheid van de plegers uit de categorie
minderjarige seksueel-geweldplegers acht ik deze leerstraf een absoluut
onvoldoende adequate reactie.
Voorts is er een misverstand ontstaan over het doel van mijn structurering
van categorieën minderjarige zedendelinquenten. Allereerst kan het indelen
in een typologie alleen plaatsvinden na een uitgebreide diagnostiek bij alle
minderjarige verdachten van seksuele delicten. Ten behoeve van deze
diagnostiek heb ik een vragenlijst ontwikkeld. Ten tweede onderschrijf ik in
mijn boek de stelling van Van der Linden dat “ongeacht de zwaarte van dit
soort delicten altijd een adequate reactie” dient te volgen. De strekking
van mijn betoog is immers dat in elke zaak met een minderjarige verdachte
een grondig gedragswetenschappelijk onderzoek plaatsvindt, zo nodig in het
nieuw in te stellen
Pieter Baan Centrum voor Minderjarigen. Het betoog in mijn boek heeft
juist de strekking dat alle minderjarigen die zijn te categoriseren als
minderjarige kindmisbruiker (in mijn boek gebruik ik nog de term:
minderjarige pedo) of minderjarige seksueel geweldpleger een
behandeling in het kader van een vorm van de jeugdstrafrechtelijke maatregel
Plaatsing in Inrichting voor Jeugdigen (PIJ) dienen te ondergaan.
Michael Boelrijk.
U dient ingelogd te zijn om gebruik te maken van de verwijzingmogelijkheden. Bestel hier uw inlogcode
| Trefwoordenregister + pagina 1e druk | trefwoorden vervolg + pagina 1e druk | Namenregister pagina 1e dr. | rechtspraak register tot 1997 (pagina 1e dr) |
|
`incest' pleger 29, 235 Adolescenten 5 AIDS 116, 214 Attachment 39 AVAS 120 Beliefs 39 benadering blitz attack 209 con approach 209 directe 209 misleidend 209 onmiddellijke overrompeling 209 surprise approach 209 verrassings 209 Bestialiteit 5 Bewegen tot 99, 105 Binnendringen 213 Bio psycho sociale leermodel 13 Bloedschande 109 Buiten echt 100 Cognitieve distorsie 14 Commitment 39, 42 Condoom 214 Delict scenario 34 Delinquent 6 Deviantie 7 Dierenmishandeling 5 Dissociatieve stoornis 12 DSM IV 17 Etniciteit 200 Feitelijkheid 8, 73, 87, 96, 122 Fetisjisme 6 Frottage 6 Gang rape 204 Geslachtelijkheid 15 geweld expressief 212 gematigd 211 gering 211 instrumenteel 212 veel 211 HALT 217 Hands off 6 Homoseksuele ontucht 103 Hulpmiddelen 211 Incest 28, 110 Involvement 39 Jeugdige 5 Kind 107 Leeftijdgenoten 27 Leeftijdscriterium 27 Leerproject Seksualiteit 166, 195 Life events 40, 43 |
Minderjarige zedendelinquenten 4 Missing observations 196 Necrofilie 6 Onbesproken gedrag 105 Ontucht 117 Ontuchtig 96 Ontuchtige handelingen 95, 100 Opleiding toevertrouwd 108 Parafilie 17 Pedo 26, 29, 235 Pedofiel 25 Pedoseksueel 25 Pedoseksuelen 24 Peergroup 7 Penetratie 213 Persoonlijkheidsonderzoek 156 Pieter Baan Centrum 156 Pleger 6 Politiesepot 217 Preoccupatie met seks 11 Prepuberalen 5 Promiscue 89 Psychodynamisch georiënteerde modelbenadering 12 Pubers 5 rol afhankelijke 206 coördinerende 206 observerende 206 ondersteunende 206 op de uitkijk 206 participerend 206 stimulerende of initiërende 205 Schennis 78 Seksueel binnendringen 6, 83 Seksueel Overdraagbare Aandoeningen 116 Seksueel geweld pleger 29, 236 Seksuele daad 6 Seksuele handelingen 70 SM 91 SOA 116 Sorgdrager 172 Systematische specialiteit 113 Vergelding 147 empirische vergelding 147 metafysische vergelding 147 Verleiden 99 Verleiding 99 Voyeurisme 6 Wetenschap 99 Zedendelinquentie 5 Zedenvandalisme 29 Zedenvandalist 236 Zorg toevertrouwen 107 |
Abel 17 Bartels 145, 147, 175 Beaufort 71 Bol 146 Bovenkerk 45 Brongersma 69 Bruinsma 12, 65 Doek 158,167,168,170, 175 Fokkens97,118,127,129,145, 147, 162, 168, 172, 173 Frenken 13,24,31,32,57 Freud 14 Hazewinkel Suringa 144 Hirsch Ballin 72 Hirschi 39 Hulsenbek 130 Johnson 26 Knight 30, 31, 33 Korthals Altes 117 Marques 62 Marshall 23 Melai 70 Modderman 69 Prentky 30, 31, 33 Regout 69 Sandfort 64 Savornin Lohman 74 Sorgdrager 76, 117, 175 Vaillant 71 |
Hoge Raad der Nederlanden
HR 3 december 1906, W 8468 `Venlose koppelaarster' (p. 105) |
|
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
EHRM 22 april 1993 `Modinos vs Cyprus', Serie A nr. 259 (p. 104) |
|||
|
GERECHTSHOVEN
Hof 's-Hertogenbosch 30 december 1992, NJ 1993, 147 (p. 83) |
|||
|
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK Rb Rotterdam 16 juli 1897, W 7064 (p. 93) |